Gesprekskaarten
Praatkaartjes
Zeg wat je wilt aan de hand van foto’s. Kies een kaartje en er komt een vraag bij.
Een digitaal hulpmiddel werkt beter als je het maakt met de mensen die het gaan gebruiken: cliënten, hulpverleners en de organisatie. Je begint bij de vraag, niet bij een app. Je maakt snel iets eenvoudigs om over te praten, leert ervan, en bouwt pas als het beeld klopt. Met een voorbeeld uit een wijkteam en antwoorden op vragen die vaak terugkomen.
Samen ontwerpen betekent dat je een digitaal hulpmiddel maakt mét de mensen om wie het draait. Dat zijn je cliënten, de hulpverleners die ermee werken en de organisatie die het betaalt. Zij geven niet pas achteraf hun mening. Ze bepalen vanaf het begin mee wat het probleem is en wat helpt.
Expertisecentrum Pharos zegt het kort: praat niet over, maar met. Een ander woord hiervoor is co-creatie. Wat dat precies is en wat niet, lees je in Co-creatie in de hulpverlening.
De mensen om wie het draait, weten hoe hun vraag vastzit aan de rest van hun leven. Een maker van buitenaf ziet vaak maar één stukje. Kennisinstituut Movisie noemt die kennis ervaringskennis. Ervaringsdeskundigen, mensen die uit eigen ervaring weten waar het over gaat, maken de leefwereld van cliënten zichtbaar. Volgens Movisie kun je een probleem daardoor concreter omschrijven.
Het resultaat hoeft geen app te zijn. Het kan ook een website zijn, een spel, een training of een kaart op papier. Soms blijkt een vaste belafspraak beter te werken dan iets nieuws. Ook dat is een goede uitkomst.
Pharos ziet dat digitale zorg voor veel mensen te moeilijk is gemaakt. Het wordt pas eenvoudig en begrijpelijk als makers vanaf het begin samenwerken met mensen die minder digitaal vaardig zijn. Het Erasmus MC test zijn app bijvoorbeeld vooral met die groep, vertelt Pharos. Werkt de app voor hen, dan werkt hij voor een grote groep.
Voor je cliënt betekent samen ontwerpen: een hulpmiddel dat past bij het eigen leven. Het gebruikt woorden die je cliënt kent. Voor jou als hulpverlener: iets dat in je werkdag past, in plaats van dat het er werk bij geeft. Kennisorganisatie Vilans zegt het ook. Kijk naar wat cliënten en hulpverleners nodig hebben. Kijk ook naar hoe het past in het dagelijkse werk. Volgens Vilans staat of valt het succes van iets nieuws met de manier waarop je de mensen betrekt die het gaan gebruiken.
Samen ontwerpen kan ook geld en tijd schelen. Vilans beschrijft een maker die vroeg ging testen en zo zag dat het instellen van het hulpmiddel te ingewikkeld was. Omdat dat vroeg bleek, kon het ontwerp direct beter, zonder hoge kosten. Het W3C, de organisatie achter de internationale webrichtlijnen, ziet hetzelfde. Wie mensen er vroeg bij haalt, verspilt minder tijd met gokken, en neemt later minder vaak genoegen met iets wat half werkt. En makers die zien hoe iemand met een beperking hun werk gebruikt, raken meestal extra gemotiveerd.
Dit is de volgorde die we zelf gebruiken bij maatwerk. Je kunt hem ook gebruiken als je team iets laat maken door een ander. De stappen lopen soms door elkaar, en dat is goed.
Begin bij de vraag, niet bij de app. Schrijf in één zin op wat er nu misgaat, gezien door de ogen van je cliënt. Bijvoorbeeld: “Ik mis afspraken met het wijkteam, omdat ik de brieven niet meer overzie.” Schrijf niet op: “We hebben een app nodig.” Het probleem achter de vraag komt niet vanzelf boven, merkt Vilans. Luister goed en vraag door.
Nodig verschillende mensen uit. Vraag cliënten, collega’s en iemand die beslist, zoals een teamleider. Vilans ziet dat makers de beslissers soms te laat betrekken, en dat geeft later problemen. Vraag ook mensen die vaak buiten de boot vallen, zoals ouderen en mensen die moeite hebben met lezen. Ga er niet van uit dat wat één persoon zegt, voor een hele groep geldt. Daarvoor waarschuwt het W3C.
Neem iemand mee die je cliënt goed kent. Een begeleider of mantelzorger ziet dingen die jij mist, zegt Vilans. Een maker keek mee toen iemand begon te huilen. De maker dacht dat er iets misging. Maar een medewerker die de man kende, wist: zo doet hij als hij blij is. Richt een gesprek daarom zo in dat zowel je cliënt als de begeleider iets kan inbrengen.
Maak meedoen makkelijk. Nodig mensen persoonlijk uit, in gewone taal. Houd vragen kort en begrijpelijk, en zorg dat meedoen ook kan door te praten in plaats van te schrijven. Dat raadt Pharos aan voor onderzoek waar iedereen aan moet kunnen meedoen. Kom naar een plek die mensen kennen. Je uitnodiging check je met de Taalcheck, die lange zinnen en moeilijke woorden laat zien.
Werk met beelden in plaats van veel tekst, bijvoorbeeld met foto’s zoals in Praatkaartjes. Vertel vooraf dat iedereen mag stoppen wanneer hij wil. Het W3C raadt ook een passende vergoeding aan, en informeel bijpraten, bijvoorbeeld bij de lunch. Voor mensen met een licht verstandelijke beperking heeft Movisie eenvoudige werkvormen verzameld.
Pas het ontwerp aan en test opnieuw, met andere mensen. De een wil een grotere knop, de volgende vindt die knop te groot. Vilans raadt aan om vaker en bij verschillende mensen te vragen. Zo zie je wat een patroon is. Vraag je tussendoor af: werken we nog aan het doel van de cliënt, of alleen aan dat van de organisatie?
In het begin gaan reacties vooral over hoe makkelijk iets is en hoe het eruitziet. Later gaat het erom wat het oplevert, zegt Vilans. Spreek daarom op tijd af waaraan je straks ziet of het hulpmiddel helpt.
Een wijkteam merkt dat cliënten vaak afspraken missen. Het eerste idee is een app die herinneringen stuurt. Maar eerst nodigt een medewerker vijf cliënten persoonlijk uit voor de koffieochtend in het buurthuis. De begeleider van een man met een licht verstandelijke beperking komt ook mee.
Iedereen vertelt hoe die nu afspraken onthoudt. Een vrouw laat de kalender op haar koelkast zien. Een man zet een wekker op zijn telefoon. Een ander zegt dat de brieven van het team te lang zijn: “Ik zie niet eens wanneer het is.”
Het team maakt twee schetsen op papier. De ene is een scherm van een app, de andere een kaart met de dag, de tijd en een plaatje bij de afspraak. Bij de app vraagt iemand meteen: “Moet ik dan weer een wachtwoord onthouden?” De kaart vinden de meesten fijn, maar ze willen de dag in grotere letters.
In de tweede ronde test het team een betere kaart, met twee andere cliënten. De opdracht is: “Wanneer is je volgende afspraak?” Beiden vinden het binnen een paar tellen.
Het team kiest voor een kaart op papier, met een sms de dag ervoor voor wie dat wil. De kaarten maken ze met Afspraakkaart maken. Op de volgende koffieochtend vertellen ze wat er met de inbreng is gebeurd: “Jullie zeiden dat de brieven te lang waren. Daarom krijg je nu deze kaart.” Na twee maanden kijken ze of er minder afspraken worden gemist.
Wat zeg je tegen je cliënt? Bijvoorbeeld: “We willen iets maken dat helpt om afspraken te onthouden. Jij weet het beste wat daarvoor nodig is. Er zijn geen foute antwoorden, en je mag altijd stoppen.”
En tegen je teamleider? Vilans raadt aan om per groep te zeggen wat het oplevert. Voor hulpverleners gaat het om gemak en minder fouten, voor managers om tijd en geld, voor cliënten om de kwaliteit van hun leven. Bijvoorbeeld: “Als we nu een paar ochtenden met cliënten testen, weten we sneller wat werkt. Dan hoeven we achteraf minder te herstellen.”
Met hoeveel mensen moet ik praten? Er is geen vast getal. Volgens het W3C hebben de meeste projecten weinig tijd en geld, en kun je niet heel veel verschillende mensen vragen. Kies dan mensen die zo veel mogelijk van elkaar verschillen, en vraag in meer rondes, zoals in stap 10.
Mag ik deelnemers een vergoeding geven? Het W3C raadt een passende vergoeding aan. Krijgt iemand een uitkering, let dan op. Voor vrijwilligers schrijft de Rijksoverheid dat een onkostenvergoeding gevolgen kan hebben voor een uitkering. Bij een vergoeding voor meedenken kan dat ook zo zijn. Laat iemand het daarom eerst navragen bij de instantie die de uitkering betaalt, en vraag binnen je organisatie hoe jullie dit regelen.
We kopen een hulpmiddel in plaats van het te laten maken. Werkt dit dan ook? Voor een deel wel. Hoe het eruitziet, bepaal je niet meer mee. Maar je kunt wel samen bepalen wát je nodig hebt, zoals in stap 1, en het samen testen voordat je kiest. Pharos raadt dat testen ook aan voor digitale zorg van andere makers die je organisatie gebruikt. Hoe je daarna kiest, lees je in Een digitaal hulpmiddel kiezen voor je cliënt.
Gesprekskaarten
Zeg wat je wilt aan de hand van foto’s. Kies een kaartje en er komt een vraag bij.
Kaartje maken
Maak een duidelijke kaart voor de afspraak van je cliënt, met plaatjes en grote letters. Je print hem en geeft hem mee.
Terugblik
Laat aan het eind van een gesprek weten hoe het ging. Kies bij vier zinnen een gezichtje, en bekijk de antwoorden daarna samen.
Tekstcheck
Check of je tekst makkelijk te lezen is. Je ziet lange zinnen en moeilijke woorden, met een makkelijker woord ernaast.
Bijgewerkt op .
Co-creatie betekent samen maken: je ontwikkelt iets met de mensen die het gaan gebruiken. Cliënten, ervaringsdeskundigen en hulpverleners denken dan niet alleen mee, ze bepalen ook mee. Wat je samen maakt, past beter bij hun leven en hun werk. Ook bij het invoeren helpt het.
Digitale inclusie betekent dat niemand buiten de boot valt nu steeds meer online gaat. Lang niet iedereen kan vanzelf meedoen. Als hulpverlener of organisatie kun je veel doen: ernaar vragen, goed doorverwijzen, een weg zonder scherm openhouden en je eigen hulpmiddelen samen met cliënten testen.
Naar schatting 1,1 miljoen mensen in Nederland hebben een licht verstandelijke beperking (lvb). Internet kan hun eigen regie vergroten, maar veel digitale hulpmiddelen zijn te ingewikkeld. Een bruikbaar hulpmiddel is overzichtelijk, werkt met beeld, vraagt weinig stappen en heeft altijd een alternatief zonder scherm.
Heb je een idee, een vraag uit de praktijk of wil je een hulpmiddel uitproberen met je team? We denken graag mee, zonder verplichtingen.