Tekstcheck
Taalcheck
Check of je tekst makkelijk te lezen is. Je ziet lange zinnen en moeilijke woorden, met een makkelijker woord ernaast.
Een tekst op taalniveau B1 is voor de meeste volwassenen goed te lezen. Je zet het belangrijkste bovenaan, kiest gewone woorden, schrijft korte, actieve zinnen en schrijft respectvol over mensen. Deze gids laat in tien stappen zien hoe dat werkt, met voorbeelden uit brieven en berichten aan cliënten.
Schrijven op B1 betekent: zo schrijven dat de meeste volwassenen je tekst begrijpen. B1 is een niveau uit het Europees Referentiekader voor de talen (ERK). Wat dat precies inhoudt, lees je in Wat is taalniveau B1?.
Begrijpelijk is meer dan makkelijke woorden. In 2023 verscheen een internationale norm voor duidelijke taal, die er inmiddels ook in het Nederlands is. Daarin is een tekst pas duidelijk als je lezer alle informatie krijgt die nodig is, makkelijk vindt wat die zoekt, het begrijpt en het kan gebruiken. B1 helpt vooral bij het begrijpen. Voor de rest heb je een goede opbouw nodig, en iemand die meeleest.
Heldere taal heeft nog een kant: je lezer moet zich serieus genomen voelen. Met woorden kun je vooroordelen bevestigen of juist doorbreken. Als hulpverlener schrijf je veel voor cliënten: een uitnodiging, een plan van aanpak, een bericht in een app of uitleg over een digitaal hulpmiddel. Deze gids helpt je die teksten helder en respectvol te maken.
Overheden en bedrijven schrijven meestal op niveau C1. Voor veel mensen is dat te moeilijk. Een tekst op B1 is voor ongeveer 80 procent van de volwassen lezers niet te moeilijk. Ook lezers met een hogere opleiding lezen meestal liever B1, omdat het makkelijker en sneller gaat, zeker op een telefoon.
In Nederland hebben ongeveer 3 miljoen mensen van 16 tot en met 75 jaar moeite met lezen, schrijven en/of rekenen. Veel van hen vinden het moeilijk om een formulier in te vullen of een bijsluiter te begrijpen. Hoe je dat herkent, lees je in Laaggeletterdheid herkennen en bespreken.
Met een heldere tekst kan je cliënt zelf nalezen wat jullie hebben afgesproken, en weet die wat de volgende stap is. Voor jou betekent het minder misverstanden.
Doet iemand niet wat jullie hebben afgesproken? Dan lijkt het soms alsof diegene geen zin heeft. Maar vaak heeft die de uitleg niet goed begrepen. Het Taalkompas van de Rijksoverheid noemt nog een voordeel: laat je lezers meedenken over je tekst, dan krijg je minder vragen, reacties en klachten.
De voorbeelden hieronder komen uit brieven en berichten van een wijkteam, een begeleider en een ambulant hulpverlener. Een ambulant hulpverlener is iemand die bij je cliënt thuis komt.
Bepaal wat je lezer moet weten of doen. Schrijf eerst voor jezelf in één zin op wat de kern is. Vraag je af: wat doet mijn cliënt na het lezen? En welke vragen kan die hebben? Schrijf dus niet wat jij graag wilt vertellen, maar wat je lezer moet of wil weten. Hoe meer je van een onderwerp weet, hoe lastiger dat is.
Kern van een uitnodiging: ‘Sanne van het wijkteam komt op dinsdag 13 oktober om 10.00 uur bij je thuis om kennis te maken.’
Zet het belangrijkste bovenaan. Begin met wat je lezer moet weten, niet met de aanleiding. Doe dat ook in elke alinea: de eerste zin zegt waar de alinea over gaat. Achtergrond die niet iedereen nodig heeft, zet je onderaan.
Kies gewone woorden. Gebruik woorden die je ook in een gewoon gesprek zou gebruiken. Moet je een vakterm gebruiken, leg hem dan de eerste keer uit. Schrijf afkortingen voluit, tenzij je zeker weet dat je lezer ze kent. Houd voor één ding steeds hetzelfde woord aan. Schrijf je eerst ‘afspraak’ en verderop ‘gesprek’, dan denkt je lezer dat het om iets anders gaat.
Let ook op woorden met twee betekenissen: bij de trein betaal je een toeslag, maar van de overheid krijg je er een.
Schrijf korte zinnen. Zet één gedachte in een zin. Volgens de Rijksoverheid zijn zinnen tot 25 woorden voor veel mensen nog goed te begrijpen. Wissel korte en iets langere zinnen af, dan leest je tekst prettig. Schrijf je voor mensen die moeite hebben met lezen? Dan raadt de Rijksoverheid zinnen van hooguit 10 woorden aan.
Zet woorden die bij elkaar horen bij elkaar, en zet een bijzin achter de hoofdzin, niet ervoor of er middenin. Knip je een lange zin in stukken, laat dan met woorden als ‘maar’ en ‘want’ zien hoe de zinnen samenhangen.
Schrijf actief. Zeg wie iets doet. Zinnen met ‘worden’ maken een tekst vaag. Dat geldt ook als je van een werkwoord een zelfstandig naamwoord maakt. Schrijf dus ‘We kijken samen of het plan werkt’ in plaats van ‘Er vindt een evaluatie plaats’. Zoek in je tekst op ‘word’ en ‘ing’: dan vind je ze snel.
Maak het concreet. Noem een datum, een tijd of een aantal in plaats van ‘binnenkort’ of ‘vaak’. Schrijf getallen in cijfers. Gebruik geen uitdrukkingen of beeldspraak. Sommige lezers hebben daar moeite mee, bijvoorbeeld mensen met autisme of mensen die nog niet goed Nederlands kunnen.
Ook een advies kan te vaag zijn. Pharos geeft het voorbeeld van iemand met een zere knie die het advies ‘meer bewegen’ niet opvolgt. Die ziet het verband met de knie niet. Schrijf dus wat iemand precies doet, en waarom. Moet je nee zeggen? Zeg dat dan meteen, en leg vriendelijk uit waarom.
Maak de opbouw zichtbaar. Gebruik tussenkoppen. Een korte vraag werkt goed, zoals ‘Wat moet je doen?’ of ‘Heb je vragen?’. Zet een opsomming van meer dan twee dingen in een lijstje, met een zin erboven die zegt wat je opsomt. Spreek je lezer direct aan, en gebruik bij een opdracht de gebiedende wijs.
Zeg wie je lezer kan bellen. Zet de naam van een persoon en een telefoonnummer in je tekst. Een persoonlijk e-mailadres kan erbij.
Schrijf respectvol over mensen. Beschrijf iemand in de eerste plaats als mens. Noem een kenmerk, zoals een beperking, leeftijd of afkomst, alleen als het ertoe doet. Laat woorden als ‘kwetsbare’ en ‘zwakkere’ weg, want daarin klinkt een oordeel door. Verwijs niet vanzelf met ‘hij’. Herhaal het woord, schrijf ‘die’ of ‘diegene’, of spreek je lezer direct aan.
Ken je iemand niet persoonlijk? Zet dan de hele naam in de aanhef, zoals ‘Beste Ahmed Yilmaz’, en niet ‘Beste heer Yilmaz’. Woorden veranderen. Twijfel je, vraag het dan aan de mensen over wie je schrijft.
Laat iemand meelezen. Vraag een collega, of iemand voor wie de tekst bedoeld is, om hem te lezen. Vraag daarna niet ‘Is het duidelijk?’, maar ‘Wat ga je nu doen?’ Zo hoor je of je tekst werkt. Vraag ook of je lezer vond wat die zocht, en of de woorden respectvol overkomen. In een gesprek heet dit de terugvraagmethode: je vraagt wat iemand thuis gaat vertellen over jouw uitleg.
Niet elke tekst kun je testen. Doe het in elk geval als je lezers moeite hebben met lezen, als er veel van je tekst afhangt of als je je lezers niet goed kent. Maakt je organisatie een folder of website? Vraag dan een testpanel bij Stichting ABC. Daarin zitten mensen die vroeger zelf moeite hadden met lezen. Over de prijs maak je vooraf een afspraak.
Een hulpmiddel als Taalcheck laat lange zinnen en moeilijke woorden zien, met een makkelijker woord ernaast. Beoordeel wel zelf wat zo’n check aangeeft: hij vervangt geen echte lezer.
Jeroen is ambulant begeleider. Hij schrijft zijn cliënt Mira een brief over het vervolg van haar begeleiding. Zijn eerste versie begint zo:
‘Naar aanleiding van het evaluatiegesprek d.d. 3 oktober jl. delen we je mede dat de ambulante begeleiding per 1 november a.s. wordt gecontinueerd, mits het geactualiseerde ondersteuningsplan tijdig ondertekend retour wordt ontvangen.’
Dat is één zin van 32 woorden, met drie afkortingen, twee keer ‘wordt’ en woorden als ‘gecontinueerd’ en ‘mits’. Zijn nieuwe versie:
Je begeleiding gaat door na 1 november
Op 3 oktober hebben we samen gekeken hoe het gaat. We hebben afgesproken dat ik na 1 november bij je blijf komen.
Wat moet je doen?
Zet je handtekening onder het nieuwe plan. Stuur het plan terug in de envelop. Doe dat voor 20 oktober.
Heb je vragen?
Bel mij, Jeroen. Mijn nummer staat onderaan deze brief.
Bij zijn volgende bezoek vraagt Jeroen wat Mira met de brief gaat doen. Ze zegt: ‘Wachten tot jij het plan komt ophalen.’ Ze had de eerste alinea gelezen en was daarna gestopt.
Jeroen zet de opdracht nu direct onder de titel: ‘Stuur het plan voor 20 oktober terug.’ De uitleg komt daarna. Voor hun volgende afspraak maakt hij met Afspraakkaart maken een kaart met een plaatje en grote letters.
Wat zeg je tegen je cliënt als je een brief wilt testen? Bijvoorbeeld: ‘Ik wil weten of mijn brief duidelijk is. Wil je vertellen wat je nu gaat doen?’ Zo gaat het over de brief, en niet over je cliënt. En tegen een collega die B1 kinderachtig vindt: ‘We laten niets weg wat Mira moet weten. We schrijven het alleen zo op dat ze het in één keer snapt.’
Moet elke tekst op B1? B1 is een goede basis voor alles wat je aan cliënten schrijft. De redactie van Rijksoverheid.nl schrijft nieuwe teksten op B1, en waar het kan op A2. Alleen in uitzonderlijke gevallen mag het B2 zijn. Weet je dat je lezer moeite heeft met lezen? Kies dan A2.
Hoe weet ik welk niveau mijn tekst heeft? Er zijn programma’s die een tekst scannen op moeilijke woorden, lange zinnen en de lijdende vorm, en er een niveau bij geven. De redactie van Rijksoverheid.nl werkt daarmee. Zo’n uitslag is een aanwijzing. Of je tekst werkt, merk je pas als iemand hem leest.
Spreek ik mijn cliënt aan met ‘je’ of met de beleefde vorm? Allebei kan, zolang je je lezer direct aanspreekt. Het Taalkompas van de Rijksoverheid kiest in brieven standaard voor de beleefde vorm, en voor ‘je’ als je denkt dat je lezer dat prettig vindt. Volg de afspraak van je organisatie, en houd in één tekst één vorm aan.
Ik moet een vaste standaardbrief gebruiken. Wat nu? Vaak moet je een sjabloon gebruiken. Kun je de brief niet aanpassen, stuur er dan een kort bericht op B1 bij: wat staat erin, en wat moet je cliënt doen? Vertel ook aan wie de brieven beheert welke brief steeds vragen oproept. Zo zie je samen welke teksten niet goed werken.
Tekstcheck
Check of je tekst makkelijk te lezen is. Je ziet lange zinnen en moeilijke woorden, met een makkelijker woord ernaast.
Kaartje maken
Maak een duidelijke kaart voor de afspraak van je cliënt, met plaatjes en grote letters. Je print hem en geeft hem mee.
Gesprekskaarten
Zeg wat je wilt aan de hand van foto’s. Kies een kaartje en er komt een vraag bij.
Bijgewerkt op .
Met plaatjes, een afspraakkaart, een dagplanning of een stappenkaart maak je zichtbaar wat je anders alleen vertelt. Dat helpt mensen die moeite hebben met lezen, met een licht verstandelijke beperking of met autisme, en iedereen die onder stress staat. Je kiest één doel per kaart, maakt hem samen met je cliënt en checkt of hij klopt.
Psycho-educatie is uitleg over wat er speelt, zodat je cliënt snapt waar problemen vandaan komen en wat helpt. Die uitleg blijft beter hangen als je cliënt zelf iets doet: tekenen, kaartjes kiezen, een beeld bedenken. Houd de inhoud bij betrouwbare bronnen en de behandelaar, en check samen of het is overgekomen.
Een brief, folder of pdf is toegankelijk als iedereen hem kan lezen: met een schermlezer, op een telefoon of met moeite met lezen. Het meeste regel je al in je tekstverwerker, met echte koppen, alt-teksten, genoeg contrast en duidelijke taal. Daarna controleer je het bestand, sla je het goed op als pdf en laat je het lezen door iemand voor wie het is.
Heb je een idee, een vraag uit de praktijk of wil je een hulpmiddel uitproberen met je team? We denken graag mee, zonder verplichtingen.