Kaartje maken
Afspraakkaart maken
Maak een duidelijke kaart voor de afspraak van je cliënt, met plaatjes en grote letters. Je print hem en geeft hem mee.
Met plaatjes, een afspraakkaart, een dagplanning of een stappenkaart maak je zichtbaar wat je anders alleen vertelt. Dat helpt mensen die moeite hebben met lezen, met een licht verstandelijke beperking of met autisme, en iedereen die onder stress staat. Je kiest één doel per kaart, maakt hem samen met je cliënt en checkt of hij klopt.
Visueel ondersteunen betekent dat je zichtbaar maakt wat je anders alleen zegt of schrijft. Met een plaatje, een foto, een voorwerp of een kaart. In de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking hoort dit bij totale communicatie, schrijft het Kennisplein Gehandicaptensector: je communiceert op verschillende manieren tegelijk, met en zonder woorden. Gesproken taal ondersteun je dan met dingen die iemand kan zien: pictogrammen, tekeningen, voorwerpen, geschreven tekst of gebaren. Pictogrammen zijn eenvoudige plaatjes met één vaste betekenis, zoals een bord met bestek voor eten.
In de hulpverlening gaat het vaak om een paar vaste vormen:
Visuele ondersteuning is niet alleen voor één groep. Het helpt veel mensen, om verschillende redenen.
Je hoeft niet te weten of iemand een beperking heeft om visueel te ondersteunen. Pharos schrijft dat duidelijke communicatie goed is voor iedereen. Volgens Pharos wordt ongeveer 40 tot 80 procent van wat hulpverleners in de zorg vertellen meteen vergeten. En van wat mensen wel onthouden, is ongeveer de helft niet goed.
Voor je cliënt betekent een goede kaart houvast. Hij hoeft niet alles te onthouden, en kan thuis nog eens kijken wat er ook alweer was afgesproken. Het Kennisplein schrijft dat voorspelbaarheid rust en vertrouwen geeft: iemand weet wat er gaat gebeuren, met wie en wanneer. En wie zelf op zijn kaart kan kijken, hoeft minder te vragen. Dat past bij zelfregie: zelf de regie houden over je leven, ook als je daar hulp bij krijgt.
Voor jou als hulpverlener scheelt het herhaling, gemiste afspraken en misverstanden. Een kaart die je samen maakt, laat ook meteen zien of je elkaar goed hebt begrepen.
Kijk wat je cliënt nodig heeft. Vraag waar het misgaat: afspraken vergeten, de dag niet rond krijgen, een taak niet afmaken, of niet goed kunnen zeggen wat er is. Vraag ook wat al werkt, zoals een kalender op de koelkast of een wekker op de telefoon. Bouw daarop voort.
Kies één doel per kaart. Een afspraakkaart is voor één afspraak. Een stappenkaart is voor één taak. Wil je te veel op één kaart zetten, dan leest niemand hem meer.
Kies beelden die je cliënt herkent. Stichting Lezen en Schrijven raadt concrete beelden aan. Gaat het over geld, laat dan munten en biljetten zien. Gaat het om een spreekuur, laat dan een klok met de juiste tijd zien. Leg je een route uit, laat dan de plattegrond zien. Volgens de stichting werken foto’s beter dan tekeningen, en zijn grafieken en stroomschema’s moeilijk te begrijpen. Een foto van de echte voordeur van het wijkgebouw zegt vaak meer dan een pictogram van een huis.
Zet de tekst bij het beeld, niet in plaats ervan. Schrijf onder elk plaatje een paar woorden. Schrijf de dag en de datum in woorden, zoals “dinsdag 6 oktober”. Houd zinnen kort. Zo kan iemand die wel leest, het ook lezen, en helpt het beeld wie dat moeilijk vindt.
Maak het samen. Laat je cliënt de plaatjes kiezen, of zelf een foto maken. Vraag waar het moet komen te hangen. Een kaart die iemand zelf heeft gemaakt, gebruikt hij eerder. Lees ook Samen een digitaal hulpmiddel ontwerpen met cliënten.
Neem het samen door, en check of het klopt. Lees de kaart hardop en wijs de plaatjes aan. Gebruik dan de terugvraagmethode van Pharos. Vraag bijvoorbeeld: “Ik wil weten of ik het goed heb uitgelegd. Wat ga je thuis vertellen?” Klopt het antwoord niet, leg het dan uit in andere woorden. Het ligt dan aan de uitleg, niet aan je cliënt.
Geef de kaart een vaste plek. Spreek af waar de kaart komt te hangen of te liggen, bijvoorbeeld op de koelkast of bij de sleutels. Een kaart in een la helpt niemand.
Kijk na een paar weken hoe het gaat. Wordt de kaart gebruikt? Is er iets te veel, of te weinig? Pas hem aan, of stop ermee als hij niet helpt.
Een ambulant begeleider werkt met een man van 42 met een licht verstandelijke beperking. Hij woont zelfstandig. Hij mist geregeld afspraken bij de schuldhulpverlening, en wordt dan boos op zichzelf. Hij zegt dat hij de brieven “wel gelezen” heeft.
De begeleider vraagt hoe hij nu weet wat er die week is. Hij heeft een kalender in de keuken, maar schrijft er niets op. De brieven liggen in een stapel bij de deur. Op zijn telefoon kijkt hij vooral naar foto’s.
Samen maken ze met Afspraakkaart maken een kaart voor de volgende afspraak. Hij kiest zelf het plaatje. De begeleider zet er de dag in woorden op, en de tijd waarop hij de deur uit moet. Erbij komt een foto van de ingang van het gebouw, die hij de vorige keer zelf maakte. Bij “meenemen” vinken ze aan: de blauwe map en zijn pas. De kaart komt met een magneet op de koelkast, naast de kalender.
Voor de post maken ze een stappenkaart met vier foto’s. Maak de envelop open. Kijk van wie de brief is. Doe hem in de blauwe map. Leg de map op tafel voor de volgende keer dat de begeleider komt. Aan het eind vraagt ze: “Stel, er komt morgen een brief. Wat doe je dan?” Hij wijst de stappen aan en vertelt het in zijn eigen woorden.
Na drie weken heeft hij geen afspraak meer gemist. De stappenkaart gebruikt hij nog niet altijd. Stap twee vindt hij lastig: hij weet niet altijd van wie een brief komt. Daarom zetten ze de logo’s van de drie instanties die hem het vaakst schrijven op de kaart.
Mensen kunnen zich schamen als je met plaatjes aankomt. Maak het daarom gewoon. Bijvoorbeeld: “Ik maak dit voor veel mensen. Ik zet het zelf ook altijd op papier, anders vergeet ik het.” Of: “Zullen we het even opschrijven, zodat je het thuis nog kunt nakijken?”
Vraag altijd of iemand het wil. En laat je cliënt kiezen: het plaatje, de plek, of het op papier moet of op de telefoon. Zegt hij nee, dan is dat ook goed.
Is papier niet ouderwets? Iedereen heeft toch een telefoon? Een herinnering op de telefoon kan heel goed werken. Maar een telefoon kan leeg zijn, kwijt zijn of vol meldingen zitten. Een kaart op de koelkast is er altijd. Veel mensen hebben het meest aan allebei: de kaart voor het overzicht, de telefoon voor het seintje.
Waar vind ik goede plaatjes? Onze hulpmiddelen hebben plaatjes ingebouwd. Eigen foto’s werken vaak het best: van de echte ingang, de echte persoon, de echte map. Vraag ook in je organisatie na of er al een vaste set pictogrammen is, zodat je cliënt overal dezelfde ziet.
Werkt dit ook in een gesprek? Ja. Leg tijdens het gesprek een vel papier op tafel en teken of schrijf mee. Zet de Tijdklok neer als je afspreekt hoe lang je praat. Of laat je cliënt met Praatkaartjes een foto kiezen als het moeilijk is om iets onder woorden te brengen.
Kaartje maken
Maak een duidelijke kaart voor de afspraak van je cliënt, met plaatjes en grote letters. Je print hem en geeft hem mee.
Dagplanner
Maak een plan voor je dag, met plaatjes. Kies wat je doet in de ochtend, de middag en de avond, en druk je dag af.
Lijstje maken
Schrijf van tevoren op wat je wilt vertellen en vragen, en wat je meeneemt. Druk je lijstje af, met ruimte voor de antwoorden.
Klok
Een klok die laat zien hoeveel tijd er nog over is. Het groene deel wordt steeds kleiner, tot de tijd om is.
Gesprekskaarten
Zeg wat je wilt aan de hand van foto’s. Kies een kaartje en er komt een vraag bij.
Bijgewerkt op .
Psycho-educatie is uitleg over wat er speelt, zodat je cliënt snapt waar problemen vandaan komen en wat helpt. Die uitleg blijft beter hangen als je cliënt zelf iets doet: tekenen, kaartjes kiezen, een beeld bedenken. Houd de inhoud bij betrouwbare bronnen en de behandelaar, en check samen of het is overgekomen.
Een tekst op taalniveau B1 is voor de meeste volwassenen goed te lezen. Je zet het belangrijkste bovenaan, kiest gewone woorden, schrijft korte, actieve zinnen en schrijft respectvol over mensen. Deze gids laat in tien stappen zien hoe dat werkt, met voorbeelden uit brieven en berichten aan cliënten.
Een brief, folder of pdf is toegankelijk als iedereen hem kan lezen: met een schermlezer, op een telefoon of met moeite met lezen. Het meeste regel je al in je tekstverwerker, met echte koppen, alt-teksten, genoeg contrast en duidelijke taal. Daarna controleer je het bestand, sla je het goed op als pdf en laat je het lezen door iemand voor wie het is.
Heb je een idee, een vraag uit de praktijk of wil je een hulpmiddel uitproberen met je team? We denken graag mee, zonder verplichtingen.