• Gids
  • Voor hulpverleners

Bijgewerkt op

In het kort

Met plaatjes, een afspraakkaart, een dagplanning of een stappenkaart maak je zichtbaar wat je anders alleen vertelt. Dat helpt mensen die moeite hebben met lezen, met een licht verstandelijke beperking of met autisme, en iedereen die onder stress staat. Je kiest één doel per kaart, maakt hem samen met je cliënt en checkt of hij klopt.

Wat is het

Visueel ondersteunen betekent dat je zichtbaar maakt wat je anders alleen zegt of schrijft. Met een plaatje, een foto, een voorwerp of een kaart. In de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking hoort dit bij totale communicatie, schrijft het Kennisplein Gehandicaptensector: je communiceert op verschillende manieren tegelijk, met en zonder woorden. Gesproken taal ondersteun je dan met dingen die iemand kan zien: pictogrammen, tekeningen, voorwerpen, geschreven tekst of gebaren. Pictogrammen zijn eenvoudige plaatjes met één vaste betekenis, zoals een bord met bestek voor eten.

In de hulpverlening gaat het vaak om een paar vaste vormen:

  • Een afspraakkaart. Eén kaart met wat voor afspraak het is, de dag, de tijd, waar, met wie en wat je meeneemt.
  • Een dagplanning. Wat iemand in de ochtend, de middag en de avond doet, met een plaatje bij elk onderdeel.
  • Een stappenkaart. Een taak in kleine stappen, elk met een nummer en een plaatje. Bijvoorbeeld: een brief van de gemeente openen, lezen en in de goede map doen.
  • Tijd die je kunt zien. Een klok waarop je ziet hoeveel tijd er nog over is.
  • Beeld om over te praten. Foto’s of kaartjes waarmee iemand laat zien wat hij bedoelt, als praten even moeilijk is.

Voor wie het werkt

Visuele ondersteuning is niet alleen voor één groep. Het helpt veel mensen, om verschillende redenen.

  • Mensen die moeite hebben met lezen. In Nederland hebben 3 miljoen mensen van 16 tot en met 75 jaar moeite met lezen, schrijven of rekenen, volgens Stichting Lezen en Schrijven. Een plaatje bij de tekst maakt de boodschap sneller duidelijk. Lees ook Laaggeletterdheid herkennen en bespreken.
  • Mensen met een licht verstandelijke beperking (LVB). Zij hebben veel moeite met leren en met dagelijkse situaties, meer dan de meeste mensen van hun leeftijd. Het Kennisplein Gehandicaptensector schat dat het in Nederland om 1,1 miljoen mensen gaat. Volgens het Kennisplein hebben mensen met een LVB moeite om hun dagindeling overzichtelijk te houden.
  • Mensen met autisme. Het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) schrijft over kinderen met autisme dat zij veel hebben aan structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid, en dat veranderingen vaak moeilijk zijn. Het NJi raadt aan om concreet te zijn over tijd: “we gaan over vijf minuten” in plaats van “straks”. Het Kennisplein noemt ook mensen met autisme of een depressie die moeite hebben om afspraken te onthouden of hun dagindeling vast te houden.
  • Iedereen die onder stress staat. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) beschrijft doenvermogen: een plan maken, in actie komen, volhouden en omgaan met verleidingen en tegenslag. Volgens de WRR staat dat vermogen extra onder druk bij stress. Denk aan iemand die net zijn baan kwijt is, of midden in een scheiding zit. Doenvermogen is iets anders dan denkvermogen, zegt de WRR. Het hangt maar beperkt samen met opleiding: ook veel hoger opgeleiden hebben er regelmatig moeite mee.

Je hoeft niet te weten of iemand een beperking heeft om visueel te ondersteunen. Pharos schrijft dat duidelijke communicatie goed is voor iedereen. Volgens Pharos wordt ongeveer 40 tot 80 procent van wat hulpverleners in de zorg vertellen meteen vergeten. En van wat mensen wel onthouden, is ongeveer de helft niet goed.

Waarom het ertoe doet

Voor je cliënt betekent een goede kaart houvast. Hij hoeft niet alles te onthouden, en kan thuis nog eens kijken wat er ook alweer was afgesproken. Het Kennisplein schrijft dat voorspelbaarheid rust en vertrouwen geeft: iemand weet wat er gaat gebeuren, met wie en wanneer. En wie zelf op zijn kaart kan kijken, hoeft minder te vragen. Dat past bij zelfregie: zelf de regie houden over je leven, ook als je daar hulp bij krijgt.

Voor jou als hulpverlener scheelt het herhaling, gemiste afspraken en misverstanden. Een kaart die je samen maakt, laat ook meteen zien of je elkaar goed hebt begrepen.

Zo doe je het

  1. Kijk wat je cliënt nodig heeft. Vraag waar het misgaat: afspraken vergeten, de dag niet rond krijgen, een taak niet afmaken, of niet goed kunnen zeggen wat er is. Vraag ook wat al werkt, zoals een kalender op de koelkast of een wekker op de telefoon. Bouw daarop voort.

  2. Kies één doel per kaart. Een afspraakkaart is voor één afspraak. Een stappenkaart is voor één taak. Wil je te veel op één kaart zetten, dan leest niemand hem meer.

  3. Kies beelden die je cliënt herkent. Stichting Lezen en Schrijven raadt concrete beelden aan. Gaat het over geld, laat dan munten en biljetten zien. Gaat het om een spreekuur, laat dan een klok met de juiste tijd zien. Leg je een route uit, laat dan de plattegrond zien. Volgens de stichting werken foto’s beter dan tekeningen, en zijn grafieken en stroomschema’s moeilijk te begrijpen. Een foto van de echte voordeur van het wijkgebouw zegt vaak meer dan een pictogram van een huis.

  4. Zet de tekst bij het beeld, niet in plaats ervan. Schrijf onder elk plaatje een paar woorden. Schrijf de dag en de datum in woorden, zoals “dinsdag 6 oktober”. Houd zinnen kort. Zo kan iemand die wel leest, het ook lezen, en helpt het beeld wie dat moeilijk vindt.

  5. Maak het samen. Laat je cliënt de plaatjes kiezen, of zelf een foto maken. Vraag waar het moet komen te hangen. Een kaart die iemand zelf heeft gemaakt, gebruikt hij eerder. Lees ook Samen een digitaal hulpmiddel ontwerpen met cliënten.

  6. Neem het samen door, en check of het klopt. Lees de kaart hardop en wijs de plaatjes aan. Gebruik dan de terugvraagmethode van Pharos. Vraag bijvoorbeeld: “Ik wil weten of ik het goed heb uitgelegd. Wat ga je thuis vertellen?” Klopt het antwoord niet, leg het dan uit in andere woorden. Het ligt dan aan de uitleg, niet aan je cliënt.

  7. Geef de kaart een vaste plek. Spreek af waar de kaart komt te hangen of te liggen, bijvoorbeeld op de koelkast of bij de sleutels. Een kaart in een la helpt niemand.

  8. Kijk na een paar weken hoe het gaat. Wordt de kaart gebruikt? Is er iets te veel, of te weinig? Pas hem aan, of stop ermee als hij niet helpt.

Welk hulpmiddel past

  • Afspraakkaart maken. Je kiest wat voor afspraak het is, en elke soort heeft een eigen plaatje. Je vult de dag, de tijd, de plek en de persoon in, en vinkt aan wat je cliënt mee moet nemen. Je print de kaart met grote letters en geeft hem mee. Handig is om erbij te zetten hoe laat je cliënt moet vertrekken, niet alleen hoe laat de afspraak begint.
  • Mijn dag. Je cliënt kiest wat hij doet in de ochtend, de middag en de avond, met plaatjes, en drukt zijn dag af. Op een lege plek schrijft of tekent hij zelf iets. Begin klein: één dag, met een paar dingen per dagdeel.
  • Tijdklok. Een klok waarop een groen deel steeds kleiner wordt, tot de tijd om is. Handig als “nog even” voor je cliënt niets zegt. Bijvoorbeeld tijdens een gesprek (“we praten nog tien minuten”) of thuis bij een taak die iemand liever uitstelt.
  • Vragen voor je afspraak. Je cliënt schrijft van tevoren op wat hij wil vertellen en vragen, en drukt het lijstje af. Dat helpt bij een afspraak met de huisarts of de gemeente, waar iemand onder spanning dingen vergeet.
  • Praatkaartjes. Foto’s met een vraag erbij. Je cliënt kiest een foto die past bij wat hij wil zeggen. Pharos schrijft dat een praatplaat of gesprekskaart helpt om iets bespreekbaar te maken, als iemand het lastig vindt om te vertellen waar hij mee zit.

Zo ziet het eruit in de praktijk

Een ambulant begeleider werkt met een man van 42 met een licht verstandelijke beperking. Hij woont zelfstandig. Hij mist geregeld afspraken bij de schuldhulpverlening, en wordt dan boos op zichzelf. Hij zegt dat hij de brieven “wel gelezen” heeft.

De begeleider vraagt hoe hij nu weet wat er die week is. Hij heeft een kalender in de keuken, maar schrijft er niets op. De brieven liggen in een stapel bij de deur. Op zijn telefoon kijkt hij vooral naar foto’s.

Samen maken ze met Afspraakkaart maken een kaart voor de volgende afspraak. Hij kiest zelf het plaatje. De begeleider zet er de dag in woorden op, en de tijd waarop hij de deur uit moet. Erbij komt een foto van de ingang van het gebouw, die hij de vorige keer zelf maakte. Bij “meenemen” vinken ze aan: de blauwe map en zijn pas. De kaart komt met een magneet op de koelkast, naast de kalender.

Voor de post maken ze een stappenkaart met vier foto’s. Maak de envelop open. Kijk van wie de brief is. Doe hem in de blauwe map. Leg de map op tafel voor de volgende keer dat de begeleider komt. Aan het eind vraagt ze: “Stel, er komt morgen een brief. Wat doe je dan?” Hij wijst de stappen aan en vertelt het in zijn eigen woorden.

Na drie weken heeft hij geen afspraak meer gemist. De stappenkaart gebruikt hij nog niet altijd. Stap twee vindt hij lastig: hij weet niet altijd van wie een brief komt. Daarom zetten ze de logo’s van de drie instanties die hem het vaakst schrijven op de kaart.

Let op

  • Een plaatje kan verkeerd begrepen worden. Wat voor jou duidelijk is, is dat niet vanzelf voor een ander. Pharos schrijft dat je materiaal moet testen om zeker te weten dat het te begrijpen is. Check dus altijd of je cliënt het plaatje snapt zoals jij het bedoelt.
  • Eenvoudig is niet kinderachtig. Stichting Lezen en Schrijven zegt het zo: eenvoudig schrijven betekent niet dat het kinderachtig mag zijn. Kies voor volwassenen geen kinderlijke plaatjes, en praat niet over “je plaatjesboek”.
  • Te veel is te veel. Een dagplanning met twintig plaatjes geeft geen rust, maar onrust. Begin met één kaart en een paar onderdelen, en breid uit als het werkt.
  • Denk aan privacy. Een afspraakkaart op de koelkast zien ook bezoekers. Vraag of je cliënt het goed vindt dat er “schuldhulp” of de naam van een instelling op staat. Een neutraal plaatje en “afspraak met Sanne” kan ook.
  • Kijk wat de rest van het team gebruikt. Werken meerdere mensen met dezelfde cliënt, gebruik dan dezelfde plaatjes en dezelfde plek. Twee verschillende systemen maken het juist onduidelijk.
  • Een kaart vervangt geen gesprek. Hij ondersteunt wat je samen afspreekt. Merk je dat iemand ondanks alles vastloopt, overleg dan met een gedragsdeskundige of behandelaar. Misschien is er meer aan de hand.

Wat zeg je tegen je cliënt

Mensen kunnen zich schamen als je met plaatjes aankomt. Maak het daarom gewoon. Bijvoorbeeld: “Ik maak dit voor veel mensen. Ik zet het zelf ook altijd op papier, anders vergeet ik het.” Of: “Zullen we het even opschrijven, zodat je het thuis nog kunt nakijken?”

Vraag altijd of iemand het wil. En laat je cliënt kiezen: het plaatje, de plek, of het op papier moet of op de telefoon. Zegt hij nee, dan is dat ook goed.

Vragen die vaak terugkomen

Is papier niet ouderwets? Iedereen heeft toch een telefoon? Een herinnering op de telefoon kan heel goed werken. Maar een telefoon kan leeg zijn, kwijt zijn of vol meldingen zitten. Een kaart op de koelkast is er altijd. Veel mensen hebben het meest aan allebei: de kaart voor het overzicht, de telefoon voor het seintje.

Waar vind ik goede plaatjes? Onze hulpmiddelen hebben plaatjes ingebouwd. Eigen foto’s werken vaak het best: van de echte ingang, de echte persoon, de echte map. Vraag ook in je organisatie na of er al een vaste set pictogrammen is, zodat je cliënt overal dezelfde ziet.

Werkt dit ook in een gesprek? Ja. Leg tijdens het gesprek een vel papier op tafel en teken of schrijf mee. Zet de Tijdklok neer als je afspreekt hoe lang je praat. Of laat je cliënt met Praatkaartjes een foto kiezen als het moeilijk is om iets onder woorden te brengen.

Meer weten

Hulpmiddelen die hierbij passen

  • Kaartje maken

    Afspraakkaart maken

    Maak een duidelijke kaart voor de afspraak van je cliënt, met plaatjes en grote letters. Je print hem en geeft hem mee.

  • Dagplanner

    Mijn dag

    Maak een plan voor je dag, met plaatjes. Kies wat je doet in de ochtend, de middag en de avond, en druk je dag af.

  • Lijstje maken

    Vragen voor je afspraak

    Schrijf van tevoren op wat je wilt vertellen en vragen, en wat je meeneemt. Druk je lijstje af, met ruimte voor de antwoorden.

  • Klok

    Tijdklok

    Een klok die laat zien hoeveel tijd er nog over is. Het groene deel wordt steeds kleiner, tot de tijd om is.

  • Gesprekskaarten

    Praatkaartjes

    Zeg wat je wilt aan de hand van foto’s. Kies een kaartje en er komt een vraag bij.

Bronnen

  1. Laaggeletterdheid in Nederland  (externe website)Stichting Lezen en Schrijven. Gelezen op .
  2. Factsheet Eenvoudige taal voor laaggeletterden  (externe website)Stichting Lezen en Schrijven. Gelezen op .
  3. Licht verstandelijke beperking (LVB)  (externe website)Kennisplein Gehandicaptensector. Gelezen op .
  4. (Totale) communicatie met mensen met een MVB  (externe website)Kennisplein Gehandicaptensector. Gelezen op .
  5. Dagstructuur-ondersteuning  (externe website)Kennisplein Gehandicaptensector. Gelezen op .
  6. Hoe kan ik mijn kind met autisme helpen?  (externe website)Nederlands Jeugdinstituut. Gelezen op .
  7. Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid  (externe website)Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Gelezen op .
  8. Begrijpelijke communicatie is goed voor iedereen  (externe website)Pharos. Gelezen op .
  9. Begrijpelijke voorlichtingsmaterialen en beeldverhalen  (externe website)Pharos. Gelezen op .
  10. De terugvraagmethode  (externe website)Pharos. Gelezen op .

Bijgewerkt op .

Meer over dit onderwerp

Samen iets bouwen?

Heb je een idee, een vraag uit de praktijk of wil je een hulpmiddel uitproberen met je team? We denken graag mee, zonder verplichtingen.

Stuur een berichtje [email protected]